Blinde toekomst

DE “BLINDE” TOEKOMST

Stel je voor, met de kennis die je nu hebt, de personen in jouw omgeving, je vrienden, familie, collega’s, je echtgenoot, verloofde, geliefden. Met de personen die je haat en met je idolen. Met je bezittingen, zoals huis, auto, computer, geld. Met al deze gegevens, maar je bent niet zo oud als je vandaag bent, maar je bent maar 10 jaar oud.

Je word op een morgen wakker in een donkere kamer, je weet niet waar je bent. Het voelt koud, het voelt klein, alsof muren op je af komen. Je staat op maar ziet niets, je hoort niets, je ruikt niets opvallends. Langs de muur van die ruimte, ga je op zoek naar de wastafel, om je te wassen, je vingers glijden langs de muur. Vervolgens ga je naar de grond en op je knieën op zoek naar je kleren. Je botst tegen een stoel, au, je kleren liggen op de stoel. Herken je de stoel, nee. Je staat op en je probeert de geluiden in de omgeving op te vangen, maar helemaal niets, het is muisstil.

Ver weg, hoor je ergens een radio aanstaan, maar je kan niet precies bepalen, vanuit welke richting  het geluid komt. Je probeert te verstaan wat de radiostem zegt, nee geen idee, of toch, “het vorig jaar geopende huis van de toekomst, is een groot succes, vorig jaar trok het huis zo´n 250.000 bezoekers, dit jaar wordt met een verdubbeling van het bezoekersaantal rekening gehouden. Huis van de toekomst vraag je je af, uhh?

Plotseling een stem naast je. Hoe kan dat, je hebt geen deur horen opengaan, laat staan even aankloppen. Een stem die je herkent uit duizenden, maar als dan de persoon vraagt, weet je wie ik ben, kom je niet op de naam. Noem me maar Jan zegt de stem. In een vlaag ruik je deodorant. Dan zegt Jan, kom neem mijn hand. Zelfs die handdruk, die warmte, die stevigheid, het voelt vertrouwd, hoe oud zou hij zijn, hij klinkt jong. Zoek je je kleren, vraagt Jan? Uit frustratie zeg je, nee ik zoek mijn ogen! Er volgt geen hoorbare reactie. Je zucht.

Even later zegt Jan, nadat je je hebt aangekleed, kijk nou eens hoe je erbij loopt, een zwarte broek met een donkerblauw blouse en wat doen die vlekken op je linker mouw. Je voelt een veeg van zijn hand over je mouw heen glijden. Oh en waarom zit je blouse achterstevoren. Kijk toch eerst je kleren na, voordat je die aantrekt, loop je er elke dag zo slobberig bij, vraagt Jan. Je haalt je schouders op en zegt “nee”.

Het is zo donker, je ziet helemaal niets. Plotseling zegt Jan, kom we gaan naar buiten, op weg naar de toekomst. Toekomst, vraag je jezelf af. Jan opent een deur, je hoort het kraken van de deur, hoe het hout zich beweegt. Voor je uit, hoor je de voetstappen van Jan, stevige stappen op de stenen vloer in de hal. Plotseling ruik je, ja wat is dat, een vieze lucht, maar wat is dat, je bent buiten en nog steeds is het donker. Trrrring trrrring, “kijk toch eens uit”, wordt er naar je geroepen, een voorbij gaande fietser gaat met een krappe beweging net om je heen. Ben ik blind geworden? Je vraagt aan Jan, wat is dit, ik zie niets, helemaal niets.

Jan antwoord, in het leven hoef je zelf niets te zien, om het leven te zien. Dan vraag je, wat is dat voor vieze lucht? Dat zijn de auto’s die ons milieu vervuilen, zegt Jan. Samen lopen jullie een stukje, je voelt je niet zeker, ondanks Jan met de vertrouwde stem, met zijn stevige hand je arm vasthoudt. Voetje voor voetje, plotseling voel je een rand, opnieuw vraag je, wat is dit? Weet je, iedereen in het leven heeft z’n eigen gebied, wij lopen hier, maar er zijn ook anderen, die zich sneller dan wij door het leven snellen, bijvoorbeeld met een auto. Ja en die fietser die me net bijna voor m’n sokken reed, antwoord je adrem.

Jullie steken samen over. Met je voeten voel je een paar kleine oneffenheden in de weg. plotseling hoor je achter je, een paar keer achter elkaar een soort toeter en nog een keer en nog een keer. Dan schreeuwt de persoon, “he man kijk toch eens uit je doppen.” Je schrikt, Jan zegt, kijk dat zijn de mensen in het leven, die alle gevaren en risico’s in het leven aangaan. Zonder te kijken, overal tussendoor, overheen, langs en onderdoor, op de meest vreemde voertuigen. Ik hoorde het niet eens aankomen, zeker weer zo’n hybride ding, zeg je. Jan geeft geen reactie.

Nadat jullie overgestoken zijn, ga je naar rechts, plotseling hoor je rechts van je iets tikken, tik… tik… tik…, je vraagt, wat is dat? Jan zegt, kijk om alles in het leven in goede banen te leiden, zijn er dingen nodig, die alles in goede banen leiden, dit is een verkeerslicht. Jullie lopen verder. Zo langzamerhand ga je je ergeren, dat je helemaal niets kan zien. Je raakt zelfs gefrustreerd. Maar je wil het niet aan de vertrouwde stem van Jan laten merken. In het voorbijgaan hoor je 2 vrouwen passen, hoe zouden ze eruit zien, blond, lang, dun, zouden ze glimlachen naar mij, geen idee.

Je begint in het wilde weg met je rechterarm te slaan. Wat is er aan de hand vraagt Jan. Kijk ik ging gister slapen in mijn eigen bed, in mijn eigen slaapkamer, in mijn eigen vertrouwde omgeving. Ik had een lange werkdag achter de rug. Ik las een paar bladzijdes uit mijn boek, van Harry Potter. Nou werd ik vanmorgen wakker, in het donker. Nu lopen we buiten, nog zie ik niets. En wie ben jij? Wie ik ben is nu niet belangrijk mijn kleine jongen, het is belangrijker dat ik je laat zien, wat het leven voor jou kan betekenen. Maar he zeg je, ik zie toch helemaal niets. Jan antwoord, dat komt nog wel.

Plotseling aan de linkerkant, niet ver van jou van waar jullie lopen, hoor je een baby huilen en een vrouwenstem die de baby probeert te kalmeren. En een stukje verderop lopen jullie aan een straatmuzikant voorbij, een bekende melodie, maar je kan niet op de naam komen. Iemand die jullie inhaalt, laat iets vallen naast de muzikant. Je hoort een stem “dank je wel”, aan de stem hoor je, dat  de persoon al behoorlijk oud moet zijn. Je vraagt, wat was dat, wat viel daar. Jan antwoord, dat was geld. Geld als waardering voor de muziek. De muzikant speelt vrolijke muziek en is blij met alle kleine beetjes die hij krijgt. Te weinig geld om van te leven, maar ja, dat leer je nog wel, geld maakt niet altijd gelukkig, ook al speelt die muzikant vrolijke muziek. Vrolijke muziek noemt hij dat, vond er niks aan, dat mensen daar geld voor over hebben, denk je zelf. Jullie lopen weer verder.

Plotseling staan jullie stil. Je vraagt, waarom staan we hier stil. Jan zegt, kijk, er hangt hier een affiche met een kleurenfoto en de tekst “mijn poes is weg”  Je denkt bij jezelf, waarom kan ik dat nou niet zien. Jan leest voor, “wie heeft mijn witte poes gezien… ze heet Minoes en heeft een zwart vlekje op de rug en op de linker voorpoot. Jan zegt, goh wat een schattige poes zeg. Jullie lopen verder.

Oh kijk een kiosk zegt Jan, ik ga even een krant kopen, even lezen wat de krant schrijft over de aanslag in Amerika van gister, wacht je even buiten, ik ben zo terug. Krant, denk je bij jezelf, internet is de krant van tegenwoordig. Plotseling rijdt een fietser achter je langs en de persoon op de fiets roept je naam, je herkent de stem, maar weet niet wie het is. Je denkt bij jezelf, verdomme, waarom zie ik niets. Je probeert nog te zwaaien en je roept, he kom hier. Maar in de verte hoor je, sorry ik heb nou geen tijd, ik bel je morgen, hoor je de persoon nog net roepen.

Precies op dat moment komt Jan weer naar buiten en zegt, ja weet je, tegenwoordig heeft niemand meer tijd, allemaal en iedereen heeft haast en geen tijd. Weet je, vroeger was dat alles veel anders, je nam de tijd, ook al had je geen tijd. Maar kijk is, hier in de krant hebben ze het weer over die hongersnood in Afrika. Daarbij is die aanslag in Amerika echt kinderspel, zegt Jan. Echt dit moet je zien zeg, alleen de foto alleen al, die erbij staat, zegt meer dan duizend woorden, verschrikkelijk, een skelet, met een dun huidje erover heen, meer is dat kind niet. Je denkt bij jezelf, zo soms is het misschien toch beter om niets te zien. Jullie lopen verder, nog steeds die stevige hand om je arm, nog even en m’n arm valt eraf.

Maar Jan, als iedereen haast heeft, niemand heeft tijd voor je, waarom ben jij er dan nu. Moet jij niet gaan werken, of heb je geen werk? Ja, ik ben mandenvlechter, je weet wel die grote zwarte mand in de huiskamer, heb ik gemaakt. Een mand in de huiskamer, zwart, welke mand dan vraag je en moet je dan vandaag niet werken? Maar net als eerder, weer geen antwoord, zo langzamerhand gaan je die stiltes na een vraag irriteren.

Aan je rechterhand voel je ineens planten, of wat zijn het struiken, of misschien wel een boom. Je zwaait er een keer met je rechterarm doorheen, je voelt bloemen, bladeren, takken. Wacht, zeg je. Met je neus ga je richting het groen. Je voelt waar de bloemen zijn en je ruikt eraan. Jan vraagt, wat ruik je? Je zegt, ik ruik iets fris. Je vraagt, wat zijn dit voor bloemen. Jan zegt, kom ruik nog eens, doe alsof je neus je ogen zijn, kijk welke bloemen het zijn. Wat geïrriteerd ruik je nog een keer. Maar je denkt bij jezelf, waarom heeft het nou toch steeds over mijn ogen? Je zegt, ik weet het, ik rook het gister nog op de wc, het is lavendel. Kom zegt Jan, iets verderop staan andere bloemen, ruik hier eens aan. Je hoofd draait zich naar beneden, “au” wat was dat, met je hand voel je aan je hoofd. Geïrriteerd zeg je, dit zijn zeker rozen, of niet. Jan geeft geen antwoord, je hoort wel wat gegniffel.

Iets verderop hoor je muziek, maar waar vandaan, je kan het niet herkennen. Je vraagt, welk nummer is dat, Jan zegt, goh ken je die niet, dat nummer is “New York New York” van Frank Sinatra. Nee geef mij maar Bruno Mars, Robbie Williams, Celine Dion, en Marco Borsato, zeg je. Wie zijn dat, vraagt Jan. Nee, dan is Frank Sinatra pas echte muziek zegt Jan, luister maar. Jullie lopen verder.

Plotseling stoppen jullie weer en Jan zegt, even wachten, hier is een telefooncel. Je zegt, een telefooncel, wat is dat? Jan loopt met je langs het object. Je voelt glas, metaal, een deur. Je stapt naar binnen, je voelt een telefoon tegen een wand, met daarnaast een oud dik boek. Je zegt, wat is dit voor onzin. Jan zegt, als je wilt bellen, kun je in dit boek, het telefoonnummer opzoeken van degene die je wilt bellen. Wat omslachtig, zeg je. Ik ken alleen maar mobieltjes, als ik iemand wil bellen, als ik op mijn mobieltje op één toets druk, krijg ik de gewenste persoon aan de lijn. Wacht maar, ik heb mijn mobieltje bij me. Je gaat met je rechterhand in je broekzak. Maar waar gister nog een mobieltje in zat, is de broekzak nu leeg. Jan zegt, wat is dan een mobieltje, wat kun je daarmee. Je probeert uit te leggen, dat je met een mobieltje overal, waar je ook bent, kunt bellen, zonder draad. Maar Jan begrijpt het niet. Zo wacht je even, ik ga nu even bellen. Je hoort dat Jan stroeve knoppen indrukt.

Je staat wederom alleen. Plotseling hoor je een stem die je niet kent. “alstublieft heeft u geld voor mij, ik leef op straat, ik heb niets om te eten en geen dak boven mijn hoofd om te slapen. Je ruikt een muffe, ja zeer vieze geur. De onbekende man wordt een beetje opdringerig en gaat wat tegen je aan hangen, alstublieft, geld, geld, 1 gulden alsjeblieft! Je denkt bij jezelf, hoe komt die man nou toch bij guldens, ik ken alleen maar de Euro’s. Je probeert je af te weren. Gelukkig is Jan net klaar met bellen en komt je te hulp. Wie hebt je gebeld vraag je, oh niet belangrijk, zegt Jan.

O ja, ik moet nog even naar een winkel, de batterijen van mijn cassetterecorder zijn op dus heb ik  nieuwe batterijen nodig. En ik wil een paar grammofoonplaten kopen. Een paar meter verderop lopen jullie langs een viskraam, de geur van gebakken vis werpt zich op, plotseling, blijft je voet haken achter het reclamebord van de viskraam, die midden op de stoep staat. Even later met de geur van de vis nog in je neus, zegt Jan, zo hier is de winkel, bij het openen van de deur hoor je een harde bel. Jan loopt voor je uit, plotseling voel je een zware houten deur. Je stapt de winkel binnen. Je merkt, een sterke droge warme lucht. Je denkt bij jezelf, hoe lang gaat dit duren, ik wil naar buiten. Maar pech gehad, Jan zegt, wacht je even hier, ze hebben hier hele goede grammofoonplaten in de aanbieding. Jan drukt je iets ronds in je handen, voelt plastic aan, je ruikt eraan, bah. Kijk dit is nou een plaat van Frank Sinatra, zegt Jan.

Niet ver van je hoor je dat er iemand staat. Je doet wat kleine pasjes in de richting, plotseling voel je een tafel, of wat is het, ja de toonbank. Je vraagt, bent u van de winkel. Ja zegt de stem achter de toonbank. Je vraagt, verkopen jullie hier ook mp3 spelers. Even is het stil, je twijfelt, u weet wel zoiets als een Ipod, dat is een mp3 speler, zeg je. De stem zegt, die hebben wij hier niet, wat is een mp3 speler, vraagt de stem. Vertwijfelt, stap je weer wat naar achter en zeg je, “nou laat maar”. Ben jij blind, vraagt de stem. Ja, zeg je. Kan je dat grote bord van Elvis Presley zien. Je kijkt omhoog, de verkeerde kant op. Een paar seconden later hoor je, muziek, maar met heel veel ruis erdoor. Je denkt bij jezelf, is dat nou een grammofoonplaat? Een paar minuten later komt Jan naar je toe en zegt, kom we gaan, ik heb 3 nieuwe grammofoonplaten gekocht, voor mijn Elvis Presley verzameling en batterijen voor mijn cassetterecorder. Jullie lopen de winkel uit en bij het naar buiten gaan, klinkt het plotseling “zoek de deur, kom Moya zoek de deur!” Eerst voel je een hand langs je rug glijden, vrijwel tegelijkertijd voel je iets harigs langs je benen gaan. Even later als de stem weg is, vraag je, Jan wat was dat? Dat was een blinde vrouw, met een haar hond.

Jan zegt, kom hier 2 straten verderop is een park, daar is ook een restaurantje, gaan we daar lekker even op het terras wat drinken. Zo gezegd, zo gedaan, jullie lopen verder. Even later op het terras aangekomen, gaan jullie zitten, je voelt het tafeltje, het is rond, je vingers glijden over een paar kruimels die nog op tafel liggen, de tafel is vuil. Je botst tegen 2 stoeltjes, 1 valt om. Van schrik, val je zelf bijna ook om. In de verte hoor je, een paar kinderen, “hier heen”, “kom”, “ja naar links”. Wat zijn die kinderen aan het doen vraag je. Ze zijn aan het voetballen, vertelt Jan, wil je mee doen, zal ik het vragen. Nee we gaan samen wat drinken Jan. Zullen we ook maar wat eten bestellen, frietjes en een hamburger ofzo, vraagt Jan. Ja goed idee, zeg je. Een paar tellen later.hoor je snelle voetstappen voorbij gaan. Kort daarna hoor je 2 vrouwen al kibbelend voorbij komen, “ja dat zal ik thuis even op mijn smartwatch nakijken”, zegt de ene vrouw tegen de andere. In gedachten, imiteer je de botte stem van de vrouw, “op mijn smartwatch” poeh poeh.

Jan zegt, sommige mensen die geen grammetje vet aan hun lichaam hebben, sloven zich toch uit, af te vallen. Die vrouw die net snel voorbij kwam, was daar een goed voorbeeld van. Een knappe vrouw, ik zou wel een beschuitje met haar willen eten, zegt Jan. Weet je, zegt Jan. Tegenwoordig heb je zoveel verschillende manieren van diëten, maar ik geloof niet, dat 1 daarvan echt helpt. Oh maar Sonja Bakker helpt wel, antwoord je adrem. Echt afvallen, doe je met verstand, zegt Jan. Niemand heeft meer tijd, om echt in de keuken te staan, om verantwoord, te koken. Nou ik wel, zeg je. Ik kocht gister nog een kant- en klaar- gerecht en heb die in de magnetron klaargemaakt. Magnetron, vraagt Jan, wat is dat? Net als je uit frustratie wilt afreageren, hoor je een stem naast je. Goede dag, kan ik u ergens mee van dienst zijn. Jan bestelt 1 Irish coffee en een chocomel, 2 frietjes met en 2 hamburgers.

Op datzelfde moment hoor je 2 mannen langslopen, ze praten in een vreemde taal. 1 van de mannen stopt bij het tafeltje naast jullie en vraagt iets, ah dat is engels. Excuse me, do you know where the, how do you prenounce it “nuZIEum” is. Bij je zelf denk je “nuZIEum”, wat is dat? De mensen aan het tafeltje naast jullie weten het ook niet, de man loopt weer weg. Zachtjes vraag je aan Jan, wat is het nuZIEum. Maar het blijft stil, Jan geeft geen antwoord.

Je zegt, Jan, ik snap er helemaal niets van. Leg me uit, wat hier aan de hand is. Ik hoor van alles, maar ik zie helemaal niets. Wat is dan het probleem, vraagt Jan. Ik help je toch, ik leg je toch uit, hoe het leven in elkaar zit. Maar waar ik gister nog een mobiel had, waar gister nog de mp3 spelers in de winkels lagen, waar ik gister nog mijn boodschappen met Euro´s betaalde en waar ik gister nog een magnetron gebruikt heb, bestaan deze vandaag niet meer, what the hel is nuZIEum en wie ben jij?

Weet je, zegt Jan, soms leer je van het verleden, soms leer je van de toekomst, die nog gaat komen. Soms, zie je dingen niet aankomen. Om gelukkig te zijn, hoef je niet per se te kunnen zien met je ogen. Verontwaardigd draai je schuddend je hoofd weg. Op dat moment, hoor je 2 kopjes die op de tafel worden neergezet, en hier heb ik 2 friet met, met 2 hamburgers “alstublieft 12 gulden en 50 cent”, zegt de persoon, zelf denk je, goh 12,50, tegenwoordig is zo’n bestelling al gauw 12,50 Euro. Je hoort, dat Jan wat muntjes in z´n hand heeft en aan de persoon geeft, het is goed zo, zegt Jan. Even later vraag je, wat is goed zo? Jan zegt, ik gaf de ober 13,50 gulden. Ik heb de ober een fooi gegeven, uit beleefdheid. Een fooi, wat is dat, vraag je.

Jan zegt, weet je jongen, krijg jij al zakgeld? Ja, 5 Euro per week, zeg je. Daarop zegt Jan, als jij je nou goed gedraagt, altijd netjes je bordje leeg eet, netjes op tijd naar bed gaat en doet wat er van je verlangt wordt, dan heb je best kans, dat je een keer niet 5 gulden krijgt, maar 6 gulden. Je onderbreekt, niet guldens, maar Euro´s. Maar goed, vervolgt Jan, zo is het dus met een fooi ook, omdat die ober goed z´n best heeft gedaan, heb ik hem 1 gulden extra gegeven. Ik gedachten corrigeer je hem weer, 1 Euro. Even opletten zeg, het friet lig op 1 uur, de frietsaus op 6 uur en de hamburger op 9 uur. “Wat”, vraag je jezelf af? Smakelijk.

Zo, zullen we weer gaan. Voorzichtig sta je op, Terwijl Jan achter je je stoel wegschuift, vraag je, waar gaan we nu naar toe. Heb je haast, vraagt Jan. Weet je, als je iets in het leven wil bereiken, moet je dat rustig aan doen. Haastige spoed is zelden goed. We zullen wel zien, waar we heen gaan. Soms moet je je laten verrassen, om nieuwe wegen te vinden. Zo gezegd, zo gedaan, even later lopen jullie weer samen verder, weer die stevige hand om je arm, die inmiddels wel blauw zal zijn.

Even verderop passeert een moeder met een kind, ze zijn aan het praten of zwarte ijsjes bestaan, je hoort de moeder nog zeggen, zwarte ijsjes, zijn die dan helemaal verbrand, dat kan toch niet. Wat een rare fantasie heeft die jongen denk je. Precies op het moment dat die jongen aan jou voorbij loopt is hij ineens stil. Je voelt dat hij naar je kijkt. Een paar meter verderop hoor je de moeder tegen de jongen zeggen, staar niet zo naar mensen, dat is onbeleefd, die jongen is blind.

Plotseling klinkt er van ver een hard geluid, een geluid dat steeds dichterbij komt. Je vraagt, wat is dat voor geluid. Dat is een politieauto, zegt Jan. Dat geluid betekent dat zij wel haast hebben en dat iedereen daarvoor moet wijken. Net, op dat moment komt de auto met een oorverdovend lawaai langs. Even verstomt je stem in het geluid van de politieauto. Waar zouden ze heen gaan, zeg je. Dat kan van alles zijn, een diefstal, een overval, een ongeluk. Vertwijfelt vraag je, zouden ze ook zo´n geluid maken, als iemand onverwachts blind is geworden en snel hulp nodig heeft? Je hoort Jan glimlachen. Hij zegt, nou ik denk het niet. Had je maar je mobiel, dan had je even na kunnen kijken, waar ze heen gaan.

Na een paar minuten lopen klinkt het in eens van achter, he Jan dat is lang geleden, hoe gaat het met jou? Je hoort het geluid van de stem van achter je, van boven komen. De pas van Jan stokt en jullie staan stil. He Marjan, hoor je Jan roepen. Je denkt bij jezelf, wie is nou weer Marjan. He Jan, heb je zin in een kopje koffie? Kom maar naar boven, ik doe de deur wel even op, zegt de stem van boven, die Marjan schijnt te heten.

Inmiddels in het trappenhuis, merkt Jan op, wat is het hier donker zeg, zie bijna geen steek voor ogen, er is hier zeker een lamp uitgevallen. Nou je hebt toch niet altijd licht in je leven nodig, zij je vanmorgen toch zelf? Maar Jan, fluister je, wie is Marjan? Maar voor Jan kan antwoorden klinkt de stem al in het trappenhuis, zo dat is echt lang geleden, wanneer heb ik je voor het laatst gezien. Je denkt bij jezelf, nou gezien, was het maar waar dat ik haar überhaupt zou kunnen zien!

Plotseling voel je een warme stevige hand die je hand vast pakt, hallo leuk dat je er ook bij bent, klinkt de vrouwenstem, hoe gaat het met jou, vraagt ze? Uit beleefdheid antwoord je, ja met mij gaat het goed! De vrouwelijke stem klinkt in jouw richting, je ziet er goed uit. Bij jezelf denk je, nou wordt het te gek, wat wil ze van me? Wie denkt ze wel niet dat ze is, m´n vriendin toch zeer zeker niet!

Op de achtergrond hoor je muziek. Je probeert te raden wat het is, maar je komt er niet op. Wat voor muziek is dat, vraag je? Wel eens van Beethoven gehoord? Nee, die ken ik niet, zeg je. Ja, dat is ook ver voor jou tijd, zegt de vrouw. Vind je het dan mooie muziek? Even concentreer je je om naar de  muziek te luisteren. Je probeert de melodie te herkennen. Maar nee, dat is niet mijn muziek, zeg je. Weet je, Beethoven was doof en componeerde muziek. Spontaan reageer je, ja en ik ben blind en ik heb gister nog auto gereden.

Niet veel later zitten jullie aan de koffie. En jij nota bene, weer aan de chocomel. Je hoort, dat Jan een beetje slurpende geluiden maakt. Je vraagt, is de koffie te heet Jan? Je wacht op een antwoord, maar je hoort niets. De verontwaardigde blik van Jan kon je dus niet zien. Dan voel je in eens, dat de vrouw, een doos in je handen drukt, kijk maar, ik heb hier verschillende koekjes, zoek zelf maar even uit welke je lekker vind. Met je hand glijd je door de doos, koekjes en diverse formaten, vormen, sommige ribbelig, sommige glad. Uiteindelijk kies je een koekje uit.

En, vraagt de vrouw, hoe gaat het op school, je zit nu toch in klas 4 toch? Je denkt bij jezelf, op school, klas 4, dat heet tegenwoordig toch groep, die vrouw is gek, ik heb toch al sinds 5 jaar een vaste baan. Je denkt bij jezelf, die vrouw is volgens mij zelf werkeloos. Vertwijfelt vraagt de vrouw, gaat het dan niet goed op school? Jawel, alles in orde, zeg je kortaf. Tja kon ik de tijd maar terugdraaien, dat ik inderdaad nog op school zat, denk je bij jezelf. Zou ze wel in de gaten hebben, dat ik blind ben, denk je bij jezelf. Ik durf niet te vragen, wie die vrouw, die Marjan wel niet zijn mag. Ken ik haar, is ze familie van me, ik weet het niet. Ergens komt me die stem wel bekend voor, maar ik kan haar ook niet plaatsen.

He Jan, moet je is luisteren, zegt de vrouw, ik zat gisteravond naar tv te kijken en daar hadden ze het huis van de toekomst. Moet je je voorstellen, een apparaat, waar je je eten in stopt en 2 minuten later heet en gaar uithaalt, lijkt jou dat niets, want ja voor iemand die blind is, is koken niet echt handig he. Geërgerd zucht je het uit. Ik weet niet hoe dat apparaat heet, maar zag er wel grappig uit. En ze hadden er een computer staan, dat ze “computer” noemden, door een of ander wereldwijd systeem, kun je bliksem snel post naar elkaar versturen, even naar de brievenbus, ben je mal. En wat ik ook wel grappig vond, nu hebben we nog muziek op grammofoonplaat, maar later komt alles uit 1 klein kastje, tientallen nummers op 1 kastje. hoe is het mogelijk, zegt Jan. En in de toekomst krijgt iedereen een kastje in z´n auto, dat kastje wijst je precies de weg. Oh een navigatiesysteem, denk je bij jezelf, die heb ik toch allang in m´n auto. Ja, dat zou echt makkelijk zijn voor mij, zegt de vrouw. Ik en oriëntatie, dat gaat niet samen. Elke keer weer dat gezeur met dat grote stratenboek. Naar de supermarkt duurt al een eeuwigheid bij haar, na 1 bocht raakt ze de weg al kwijt zegt Jan.

Je denkt bij jezelf, is dat nou alles, dat weet ik toch allang. Ik heb net 3 grammofoonplaten gekocht, zegt Jan. Je weet dat ik een grote fan van Elvis ben, dus zag ik m´n kans schoon en heb er 3 gekocht. Hopelijk kunnen wij al die ontwikkelingen bijhouden, als we tegen de tijd, dat het toekomst is, dan zo oud zijn. Nou dan zitten wij al lang en breed in het bejaardentehuis, zegt de vrouw. Als die dan nog bestaan zegt Jan, want ja, alles kost geld he.

Hebben we trouwens dit jaar geen familiedag. Ja, net als elk jaar op de sterfdag van vader toch? Dat weet je toch, zegt Jan. Nou ja, ik was er de afgelopen 2 jaar toch niet bij. Ja dat klopt, zegt Jan. Ik ben benieuwd wie er dit jaar dan allemaal gaan komen. Wie organiseert het dan deze keer, vraagt de vrouw. Ik meen Koos en Anja, zegt Jan. Nou, als Koos het organiseert, dan kunnen we nog eens wat verwachten, vroeger zat hij toch ook al zo vol van uitdagingen en verrassingen. Ja, maar dan moet ik nog wel even een reeks fotorolletjes kopen. Spontaan vraag je, wie is Koos. Maar toen werd het stil, geen antwoord. Je denkt bij jezelf, koos hopeloos.

Plotseling hoor je iets op de grond tikken en niet veel later, voel je een tong tegen je hand. Kom Joey, ga in je mand, zeg de vrouw. Nou, laat h´m maar even aaien, zegt Jan. Met je hand glij je over de vacht van het dier. Je voelt dat het een hond is. Spontaan springt het beest met 2 poten op je schoot. Met zijn bek vlak bij je oor, hoor je het beest puffen. Kom Joey, nou is het genoeg, ga in je mand, nu, zegt de vrouw. Het beest springt weer terug op de grond en je hoort het weglopen, niet veel later hoor je een plof, het beest ligt in de mand. Wat voor kleur heeft Joey, als ik vragen mag, vraag je. Maar weer wordt het stil, geen antwoord.

Oh ja Jan, ik heb hier nog een paar oude foto´s van vroeger gevonden. Ik weet niet of je die kent. Ik heb mijn berging van de week wat uitgemest en toen kwam ik deze tegen. Zo, die zijn inderdaad oud, zegt Jan. Oh wat ben ik op die foto klein. Had jij toen vlechtjes, vraagt Jan, ja je ziet het, zegt de vrouw. Kijk, wil jij de foto´s ook zien. Zonder dat je iets kan zeggen, drukt Jan, de foto´s in je hand. Je voelt het formaat van de foto´s. Een hele vreemde papiersoort, een beetje ruw papier, aan 1 foto zit een kartelrandje. Op de tast met je hand, leg je de foto´s voor je op tafel, naast je koffiekopje. Pas nou op jongen, zegt Jan. Anders morst je je chocomel over de foto´s, dat zou zonde zijn.

Ik hoorde gister een opmerkelijk interview op de radio, ja kreeg het maar half mee, want de antenne van de radio deed wat, ja ik noem het maar “ongesteld”, zegt de vrouw. Waarover ging het dan, vraagt Jan. Was een interview met de Minister van Onderwijs. Het ging erom of het realistisch was, om jongens en meisjes scholen samen te voegen en dan in het bijzonder blinden instituten. Ja, want dan zouden er onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Waarom specifiek blindeninstituten, vraagt Jan, ja dat weet ik niet, toen viel de radiozender weg. Toen ik de zender weer had, zij de stem op de radio, ik dank u voor dit interview minister. Zo’n interview zou tegenwoordig op internet terug te vinden zijn, denk je zelf.

Kom Marjan, het wordt weer eens tijd om op te stappen. Ik moet vanmiddag nog naar een maat van me, helpen met een beetje klussen. Maar he Marjan, zie ik je binnenkort een keer ook bij mij op de koffie, vraagt Jan. Ja, ik zie m´n broertje veel te weinig, ik kom binnenkort een keer langs, zegt de vrouw. M´n broertje denk je, je snapt er nu helemaal niets meer van. Maar je hebt op de een of andere manier niet het lef, om om opheldering te vragen.

Niet veel later lopen jullie weer samen buiten. Jan zegt, kom ik breng je weer naar huis. Best interessant he, zo´n huis van de toekomst, zegt Jan. Dat zou wat voor mij zijn, zo´n apparaat, dat in 2 minuten je eten klaarmaakt, want ik ben geen ster in koken. Nou nee, het maakt je eten niet klaar, het maakt het alleen maar warm, zeg je. Hoe weet jij dat nou, zegt Jan. Nou gewoon, dat weet ik, zeg je.

Zo, daar zijn we weer. Je hoort dat Jan een sleutel uit z´n broekzak haalt. En dat hij de sleutel in het slot stopt. Wacht, zeg je, wacht, zeg je nog een keer. Wat is er jongen, zegt Jan. Jan, vertel me nou eens, wie ben jij, wie is Marjan, wie is Koos, waarom ben ik blind, waarom, waarom, waarom? Jongen, als je later wat ouder bent, zul je pas alles kunnen begrijpen, daarvoor ben je nu nog te jong. Te jong, te jong, te jong, reageer je geërgerd.

Net op dat moment hoor je een raar geluid! Een beetje verdwaasd schrik je wakker. Je komt van onder de deken vandaan en je kijkt eens om je heen. He licht. Het geluid houd aan. Dan herken je het geluid, de telefoon gaat. Hoe laat zou het zijn. Je kijkt snel op de klok, 8 uur. Met 1 sprong sta je naast je bed en je pakt de telefoon. De stem aan de andere kant van de lijn zegt, he jongen, met Jan, je vader! Ik moet zo meehelpen met klussen bij Willem, timmeren of zo, je weet wel die maat van me, nog even m’n taststok pakken en dan ga ik er vandoor, ja ik heb de taxi besteld, die komt zo. heb je zin om mee te komen, misschien kun je me helpen met klussen. Heb je zin om te verven, want dat kan ik niet zien.

Even kan je geen woord uitbrengen. Even sta je helemaal perplex, verbijsterd. Ben je er nog, klinkt het door de telefoon. Ja, ja, ik ben er nog. Kom je ook. Ja, dat is goed, zeg je. Je weet waar het is, vraagt Jan. Ja ja. Alles goed met jou daar, klinkt het wat vertwijfeld door de telefoon. Ja, alles goed hier, zeg je. Oh ja en als je het leuk vind kunnen we morgen samen naar het nieuwe nuZIEum gaan. Je weet wel die tentoonstelling die laatste door onze blinde premier Stok is geopend. Ja ze noemen die man ook wel taststok. De tentoonstelling waar blinden even kunnen ervaren hoe het is om goedziend te kunnen zijn. Vanaf vandaag staat daar ook de eerste zelfrijdende auto voor blinden tentoongesteld. En morgen wordt het mooi weer, dus kunnen we er misschien heen lopen, via het park en eerst even wat gaan drinken.

Ok, dan tot straks! Je, realiseert je, dat je gedroomd hebt. Je kijkt nog eens op de klok en je realiseert je, dat het zaterdag is. Dus vandaag hoef je niet te werken.

Je zet de radio aan, het radionieuws is aan de gang. 30 doden in Irak, 16 doden in Afghanistan, de Euro is weer meer waard geworden, Microsoft verliest een rechtzaak tegen Google. Is dit nou de toekomst, die ik in mijn droom niet kon zien, vraag je je af! Was dat nou een blinde toekomst?

Alles over ogen

error: Content is protected !!